Safety & Veiligheid

Het aantal arbeidsongevallen is de voorbije decennia sterk gedaald. Toch is er nog werk aan de winkel, SINTIC-TI streeft ernaar zero ongevallen op de werkvloer, om dit bereiken hebben onze mensen allemaal VCA opleiding genoten .

Iedere werknemer heeft dan ook zijn eigen PBM'S, ze worden ook onderworpen aan een maandelijks toolboxmeeting.

GO! HANDLEIDING: Veiligheid op de werkvloer.

Woord vooraf

 

Als werknemers van het GO! werken wij graag in een gebouw, een lokaal, een ruimte die er elke dag ordelijk en netjes uitziet en waar we ons veilig en beschermd voelen. Als werkgever wil het GO! dat ieder van ons zich veilig en beschermd voelt tijdens het werk. Waar en in welke werksituatie wij ons ook bevinden. Daarom treft het GO! alle mogelijke en noodzakelijke maatregelen om onze veiligheid en bescherming te waarborgen. Tijdens het werk moeten wij op zoveel mogelijk risico’s voorbereid zijn, voor zoveel mogelijk gevaren beducht zijn. Veilig werken, dat wil zeggen: wat fout kan gaan tijdig herkennen (gevaren inschatten en herkennen), een risico juist beoordelen en er gepast op reageren. In het GO! zijn er al tal van procedures en richtlijnen opgesteld om ons daarbij te helpen. Die nuttige tips zijn nu allemaal samengebracht in deze overzichtelijke handleiding, in verschillende hoofdstukken die elk een aspect van preventie en veiligheid op het werk belichten. Op die manier geeft het GO! tegelijk ook uitvoering aan een bepaling van onderwijs-cao VIII.

Veiligheidsregels zijn een noodzaak, maar veiligheid gaat verder dan regels alleen. Beschouw veiligheid als iets dat je persoonlijk aangaat, waar je recht op hebt. Denk zelf bewust na over de veiligheidsaspecten van iedere taak en neem de juiste voorzorgsmaatregelen. Doe dat in de eerste plaats voor jezelf, je familie, je collega’s en je omgeving. Deze handleiding brengt de belangrijkste aspecten bij elkaar. Lees de tips goed. Het gaat tenslotte om jouw veiligheid en gezondheid.

 

1. Hygiëne, orde, netheid

Op plaatsen waar zoveel mensen samen zijn, is hygiëne een noodzaak. Daar is iedereen het over eens, maar het komt erop aan iedereen zover te krijgen er zelf ook aan mee te werken en de ruimte even netjes achter te laten als ze was. Het begint al met het wassen van de handen en de zorg voor onze kleding. Hygiëne in de keuken en in de sanitaire zones is van levensbelang. Je mag er niet aan denken dat je door simpele onverschilligheid een hele schoolgemeenschap zou kunnen besmetten! Hygiëne, orde en netheid zijn de basisvoorwaarden om veilig te werken. Daar moeten we allen samen werk van maken.

 

2. Preventie en risicobeheersing

In het GO! wordt aan preventie gedaan, om beroepsricico’s te voorkomen. Zelf kun je al heel wat erger voorkomen door de preventiebeginselen goed in je hoofd te prenten en ze getrouw op te volgen.

 

3. Brand

Brand is een permanent risico, of je nu thuis bent of op het werk. Er is zo veel dat we kunnen doen om brand te voorkomen en als het dan toch zover is, bechikken we over de middelen om het te bestrijden. Het komt erop aan ze goed te gebruiken. Heel belangrijk is ook dat iedereen gebruik maakt van de evacuatiewegen om het gebouw te verlaten. Onderschat ook het belang niet van brandbestrijdings- en reddingsborden.

 

4. Veiligheidsborden

Ze spelen allemaal hun rol in het bewaken van de veiligheid op de plaats waar we werken, en ze zijn zeer divers: aanwijzingsborden, waarschuwingsborden, gebodsborden, verbodsborden, reddingsborden, brandbestrijdingsborden. Gebruik ze goed, onthoud wat ze betekenen, jouw veilgheid hangt ervan af!

 

5. Werken met producten met gevaarlijke eigenschappen

Dit hoofdstuk is bijzonder nuttig voor al wie met producten werkt die gevaarlijk kunnen zijn bij contact met de huid, met de ogen, bij het inademen. Hoe ga je daar op de meest veilige manier mee om? Hoe lees je het etiket op de verpakking? Wat betekenen al die pictogrammen?

 

6. Elektriciteit

Elekritriciteit is een prachtding maar er zijn ook gevaren aan verbonden die ons leven op slag kunnen veranderen.

Weet wat je niet mag doen en volg strikt de veiligheidsregels die hier opgesomd worden.

 

7. EHBO

Eerstehulpverlening. We krijgen er allemaal ooit wel eens mee te maken. Als slachtoffer of in gezelschap van een slachtoffer. Er kan veel gebeuren: iemand kan gewond geraken, in bezwijming vallen, hyperventileren, door een insect gebeten worden, enz. Wat doe je dan? Vooral niet panikeren! Volg nauwgezet de instructies op en dan heb je het probleem al grotendeels opgelost.

 

8. Ergonomie

Je hebt maar één rug en daar moet je ’t je leven lang mee doen. Wees dus voorzichtig, spaar je lichaam en neem altijd de juiste werkhouding aan. Je houding bepaalt mee je veiligheid en je gezondheid. Gebruik ook ergonomisch verantwoord werkmateriaal.

 

9. Moederschapsbescherming

De zwangere dames onder ons en de kersverse mama’s die borstvoeding geven, kunnen rekenen op specifieke maatregelen die hen beschermen tegen beroepsrisico’s voor hun gezondheid.

 

10. Geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk

Elke werknemer wordt door de wet beschermd tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk. Heb je een klacht, dan kun je daarmee terecht bij de vertrouwenspersoon of bij de preventieadviseur psychosociale aspecten. Je kunt je klacht ook laten opnemen in het klachtenregister en je kunt psychologische ondersteuning vragen. Maar als we allemaal meewerken aan een positieve werksfeer, blijft het klachtenregister leeg. Is dat niet de bedoeling?

 

11. Minder stress op het werk

Er zijn tal van manieren om stress op het werk te voorkomen. Zorgen voor een positieve, constructieve sfeer is er één van. Wees ook niet bang om voor jezelf op te komen en durf zelf het initiatief te nemen om voorstellen ter verbetering aan te brengen.

 

12. Roken

In elke school en instelling van het GO! geldt een strikt rookverbod. Tegen elke werknemer die dit verbod overtreedt, kan een klacht worden ingediend. De procedure is duidelijk: wie na enkele verwittigingen volhardt in de boosheid, kan om dringende redenen ontslagen worden.

13. Alcohol- en drugsbeleid

Alcohol en andere drugs gebruiken op de werkplek? Nee hoor! In de scholen en instellingen van het GO! geldt een absolute nultolerantie. De beleidsverklaring van onze scholengroepen is daar heel expliciet over. Die nultolerantie geldt voor iedereen, van de leerlingen/cursisten over de personeelsleden tot de ouders, bezoekers en personeelsleden van leveranciers.

 

14. Specifieke situaties

Sommige werknemers bij het GO! oefenen taken uit waar een aantal ‘gevaren’ aan verbonden zijn. Een buschauffeur bijvoorbeeld, moet extra waakzaam zijn en weten hoe hij zijn bus en zijn passagiers veilig houdt bij pech of ongeval. En of je nu in de hoogte werkt, op een ladder, op een steiger, op een dak, op een afgezonderde plaats of in een besloten ruimte, je moet er echt wel je verstand bij gebruiken en geen impulsieve of ondoordachte dingen doen. Werk je met ‘gevaarlijk’ gereedschap zoals een foliesnijder of een breekmes, een hakselaar, een kettingzaag, een snoeischaar of een grasmaaier, dan moet je altijd goed beseffen waar je mee bezig bent en – waar mogelijk – anticiperen op eventueel gevaar.

1. Hygiëne, orde, netheid

 

Schadelijke en gevaarlijke stoffen zijn geen zeldzaamheid op een school. Materiaal en uitrusting moeten op een veilige en ordelijke wijze worden opgeslagen. Veiligheidstekens, trappen, nooduitgangen, EHBO-kast(en), brandweermateriaal, elektriciteit- en bedieningskasten, doorgangen moeten op ieder ogenblik tijdens de werkzaamheden vrij en onbelemmerd blijven. Een ordelijke werkplaats heeft een gunstige invloed op het werkmilieu. Minder gevaren betekent minder ongevallen. Prettiger werken betekent betere sfeer. Efficiënter werken betekent minder tijdverlies en een betere concentratie op het werk waarmee men bezig is. Minder fouten betekent betere kwaliteit. Denk aan je persoonlijke hygiëne. Bevuilde werkkledij of beschermingsmiddelen moet je tijdig wisselen. Berg na de dagtaak in je afdeling je werkkledij weg in de kleedruimte. Was na je dagtaak en voor en na het eten grondig je handen. Hou de kleedruimte, de wasplaats en de toiletten zuiver. Na jou komen er andere werknemers. Hygiëne in de toiletten is zeer belangrijk, daar is iedereen het over eens, maar het komt erop aan iedereen zover te krijgen en er zelf ook aan mee te werken. Laat de ruimte even netjes achter als toen je er binnenkwam. Een mens voelt zich het best in een schone omgeving. Alles oogt netter, het is gezelliger en het ruikt lekker fris. Onderzoek heeft al vaker aangetoond dat er in een schone omgeving beter gewerkt wordt. Ook op school is dat zo. Met zijn allen kunnen we zo veel bereiken. Samen sterk voor een ordelijke, nette en hygiënische school!

 

De volgende algemene maatregelen gelden:

 

1. Gevaar, risico, schade, ongeval en incident inschatten

Gevaar is de kans dat uit gegeven omstandigheden onheil, ongeluk of nadeel voortkomt. Dus:

• zorg ervoor dat je uitrusting goed is;

• controleer regelmatig alle machines, gereedschappen, producten,…;

• wees altijd waakzaam bij een chemisch proces;

• zorg dat je de werkmethodes onder de knie hebt.

Een risico ontstaat wanneer iemand blootgesteld is aan mogelijk gevaar. Risico is de kans dat het gevaar zich realiseert, de kans op negatieve gevolgen van bepaalde situaties en activiteiten. Schade treedt op wanneer het gevaar zich realiseert. Schade is het nadeel dat voor iemand of voor een bepaald belang voortvloeit uit een gebeurtenis, handeling of handelwijze. Een ongeval is een ongewenste gebeurtenis met schade en/of letsel als gevolg. Bij een incident ontbreekt het letsel en/of de schade.

 

2. Verfraaiing van de arbeidsplaatsen

Een arbeidsplaats moet:

• voldoende ruim zijn;

• aangepaste en veilige installaties en verdeling van elektriciteit, gas en water hebben;

• over veilige opslagplaatsen voor producten met gevaarlijke eigenschappen beschikken;

• uitgerust zijn met kleedlokalen en wasplaatsen (cf. ARAB)

• goed verlicht zijn;

• bestand zijn tegen geluidsoverlast;

• een goed klimaat hebben;

• een goede verluchting hebben (ventilatie);

• een goede temperatuur hebben (niet te warm, niet te koud).

 

3. Werkkledij

• moet alle veiligheids-, gezondheids- en kwaliteitswaarborgen bieden;

• moet aangepast zijn;

• moet beantwoorden aan de ergonomische eisen;

• moet gemaakt zijn uit niet-allergeen materiaal, slijtvast zijn en mag niet scheuren;

• moet brandveilig zijn.

 

4. Handen wassen met water en zeep

Technieken:

• Bevochtig je handen met water.

• Neem een voldoende hoeveelheid vloeibare zeep en wrijf op de volgende wijze je handen in:

- handpalm tegen handpalm;

- rechterhandpalm over linkerhandrug en linkerhandpalm over rechterhandrug;

- handpalm tegen handpalm met de vingers van beide handen tussen elkaar;

- achterkant van de vingers in de tegenovergestelde handpalm brengen en de vingers tegen deze handpalm heen en weer wrijven;

- de duim van elke hand goed inwrijven met de palm van de andere hand;

- de vingertoppen van elke hand draaiend inwrijven in de palm van de andere hand.

• Spoel je handen goed af.

• Dep je handen droog met een wegwerphanddoekje.

• Als je de kraan met je handen moet sluiten, doe het dan met het wegwerphanddoekje zodat je handen niet besmet worden.

• Gooi het handdoekje in de vuilnisbak zonder de bak aan te raken.

2. Preventie en risicobeheersing

 

Preventie is het geheel van bepalingen of maatregelen die in alle stadia van de activiteit van een onderneming worden genomen of vastgesteld, om zo beroepsrisico’s te voorkomen of verminderen. Het is de taak van de werkgever om aan preventie te doen, hij kan daarvoor een preventieadviseur aanstellen. De Gemeenschappelijke preventiedienst van het GO! is een interne dienst voor preventie en bescherming op het werk die zowel de 28 scholengroepen als de centrale administratieve diensten van het GO!

bedient. Deze interne dienst wordt geleid door de preventieadviseur-coördinator. De preventiedienst is verder opgedeeld in afdelingen (1 afdeling = 1 of 2 scholengroepen). Elke afdeling heeft één preventieadviseur. In elke school, academie of internaat/tehuis, centrum voor volwassenenonderwijs, centrum voor deeltijds onderwijs is een contactpersoon preventie en bescherming aangesteld. Men spreekt van risicobeheersing als de werknemers de risico’s kennen en ze kunnen aanpakken. Ze

moeten ze ook kunnen herkennen en ze leren uitschakelen. Alle rechten en plichten van de werkgever en van de werknemer in verband met welzijn op het werk staan beschreven in de Belgische welzijnswet van 1996.

 

Preventiebeginselen voor de werknemer

• Maak op een juiste wijze gebruik van machines, toestellen, gereedschappen, gevaarlijke stoffen en andere middelen;

• Maak op een juiste wijze gebruik van je persoonlijke beschermingsmiddelen;

• Maak op een juiste wijze gebruik van de veiligheidsvoorzieningen;

• Meld gevaarlijke situaties aan de verantwoordelijke;

• Breng de veiligheid en gezondheid van collega’s niet in gevaar;

• Draag zorg voor je eigen veiligheid en gezondheid;

• Onthoud je van iedere daad van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk.

 

Natuurlijk hebben werknemers ook rechten:

• recht op bescherming (bv. kledij);

• recht op informatie over het werk;

• recht op veiligheidsvoorlichting.

 

Preventiebeginselen voor de werkgever

Om enig gevaar te verhinderen of te voorkomen moet een werkgever aan preventie doen. Hij past daarbij de volgende preventiebeginselen toe:

• risico’s voorkomen;

• risico’s die niet te voorkomen zijn evalueren;

• de risico’s bestrijden bij de bron;

• wat gevaarlijk is vervangen door wat niet of minder gevaarlijk is;

• voorrang geven aan collectieve beschermingsmaatregelen tegenover individuele beschermingsmaatregelen;

• het werk aanpassen aan de mens bij het inrichten van de werkposten, het kiezen van de werkuitrusting en de werk-en productiemethoden;

• werknemers voorlichten over de aard van hun werkzaamheden:

- bij indiensttreding;

- bij overplaatsing, verandering van werkpost of functie;

- wanneer een arbeidsmiddel gewijzigd wordt of een nieuw wordt ingevoerd;

- wanneer een nieuwe technologie wordt ingevoerd;

- telkens wanneer dit voor de bescherming van het welzijn noodzakelijk is.

 

3. Brand

 

Brand is zowel voor een school als voor thuis een permanent risico. Niet alleen gebouwen, installaties, machines kunnen vernietigd worden, maar ook belangrijke documenten en gegevens. Materiële verliezen kun je verzekeren, vervangen of herstellen. Maar wat mensen bij een brand kan overkomen is met geld niet te vergoeden. Om brand te voorkomen moet je om te beginnen al tijdens je dagelijkse werk bepaalde regels naleven. Maak daar een gewoonte van. Je zult er ook buiten de school baat bij hebben. De meeste branden beginnen klein. Door snel en accuraat op te treden kun je wellicht de brand in de kiem smoren. Zorg dat je de instructies bij brand goed kent, want zo verlies je het minst tijd. Voorzorgsmaatregelen

• bewaar ontvlambare en zeer ontvlambare producten in een vergrendelbare, brandvrije kast

 

Voorzorgsmaatregelen

• bewaar ontvlambare en zeer ontvlambare producten in een vergrendelbare, brandvrije kast in een speciaal daarvoor voorzien lokaal met verluchting en signalisatie;

• gebruik geen niet-conforme elektrische apparaten, zoals driewegstekkers (kattenkop) en dergelijke;

• stapel geen papier, karton e.d. op plaatsen in de school die daar niet geschikt voor zijn;

• gebruik ontvlambare vloeistoffen enkel op die plaatsen waar de aard van het werk dit vereist en bewaar ze in veiligheidskannen;

• plaats geen elektrische of gastoestellen in lokalen die kennelijk niet voor het gebruik hiervan bestemd zijn;

• meld defecten of beschadiging aan elektrische toestellen zo snel mogelijk aan de directeur;

• gooi brandbare afval op plaatsen die daarvoor bestemd zijn;

• laat je tijdig informeren over het gebruik van de blusmiddelen die voorhanden zijn (en herhaal dit regelmatig);

• houd nooit de brandwerende deuren open door er spieën onder te steken;

• vermijd de blokkade van vluchtwegen, trappen en (nood)uitgangen met hinderlijke voorwerpen;

• wees altijd vertrouwd met de vluchtwegen, nooduitgangen en blusmiddelen;

• zorg ervoor dat de blusmiddelen altijd goed zichtbaar zijn;

• schakel elektrische apparatuur uit aan het einde van de werktijd, bij een werkonderbreking of bij een eventuele ontruiming;

• schakel onmiddellijk defecte of beschadigde snoeren, machines of toestellen uit en verwittig de directeur;

• gebruik nooit water om elektrische branden te blussen;

• zorg ervoor dat de hoofdschakelaars voor elektriciteit en gas steeds goed bereikbaar blijven;

• houd de elektriciteitskasten altijd gesloten;

• let speciaal op bij brandgevaarlijke werkzaamheden zoals bv. lassen, solderen en slijpen (werkvergunning en vuurvergunning vereist);

• plaats geen brandbare materialen bij radiatoren;

• hang geen brandbare versiering op;

• gebruik geen spuitbussen in de nabijheid van open vuur;

• gebruik bij brand de liften niet.

 

Brandblusmiddelen

 

Brandhaspel

Brandhaspels hebben een soepele rubberen slang van 20 of 30 meter lengte en worden voor kleine interventies gebruikt. Soms zijn ze in een kast ingebouwd. Je kunt het mondstuk enkel uit de houder nemen als je de afsluiter van het water opent. Door de hendel van het mondstuk min of meer te openen regel je de straal van het bluswater. Water is het beste blusmiddel, maar als het in grote hoeveelheden gebruikt wordt, kan het aanzienlijke schade aanrichten. Gebruik altijd een nevel of sproeistraal. Stop zo nu en dan. Een ononderbroken straal brengt blusschade teweeg.

 

Deze methode mag je nooit toepassen voor het blussen van:

 

• elektrische of gastoestellen: schakel altijd eerst de energiebron uit (trek de stekker uit het stopcontact of draai de gaskraan dicht);

• olie of vet: de brandende vloeistof zal uiteenspatten tot een enorme steekvlam. Bij vlam in de pan: sluit altijd eerst de energiebron af, sluit dan de pan af met een goed passend deksel of branddeken, dat je altijd van jou af op de pan schuift.

• metalen en andere stoffen die met water reageren, zoals natrium en carbid.

Draagbare snelblusser met grijze of rode fleskop

De brandblusser (of beter: het draagbare blustoestel) is een rode cilinder die voorzien is van een slang. De cilinder kan gevuld zijn met verschillende blusmiddelen; grijze fleskop: CO2 - rode fleskop: poeder of schuim-water (schuimblusser). Vermits het een draagbaar blustoestel is en bedoeld voor één persoon, heeft het toestel maar een werkduur van 5 tot 20 seconden.

 

De toestellen moeten goedgekeurd zijn door het ministerie van Binnenlandse Zaken. Op elke draagbare snelblusser zit een klever met daarop: de gebruiksvoorschriften, de inhoud, de brandklassen waarvoor de blusstof geschikt is, het blusvermogen en de BENOR-homologatie.

 

Een tip: blus altijd met de wind in de rug. Gebruik de blusmiddelen nooit om personen te blussen want dit kan vrieswonden veroorzaken.

 

Zand

Zand bevindt zich vaak in de omgeving van een brand en kan goede diensten bewijzen. Zand heeft immers een afdekkende werking.

 

Blusdeken

Van zodra je een blusdeken over een brandende frituurpan gooit, krijgen de vlammen geen zuurstof meer en doven ze uit. Laat de blusdeken altijd een tijdje over de pan liggen. Neem je die onmiddellijk weg, dan kan een nieuwe zuurstoftoevoer het vuur weer doen oplaaien. Je kunt de blusdeken ook om iemand heen slaan wiens kleren in brand staan. Sluit altijd eerst de energietoevoer af: trek de stekker uit het stopcontact of draai de gasafsluiter dicht.

Principes bij het blussen

• respecteer de afstand tot de brandhaard;

• pak een brand met de wind mee aan;

• begin vooraan en richt op de basis van de vlammen;

• zorg te allen tijde voor een vluchtweg;

• mensenlevens primeren;

• val de vuurhaard met verschillende personen tegelijk aan, begin aan de smalste zijde van de brandhaard;

• laat verschillende toestellen aanvoeren om lege toestellen te vervangen;

• leg lege brandblussers op de grond, zo weet iedereen dat het een gebruikt toestel is;

• zet bij hevig vuur verschillende toestellen gelijktijdig in;

• is het onmogelijk om de brand te bestrijden, isoleer dan de vuurhaard zoveel mogelijk door deuren en vensters te sluiten;

• verplaats je bij dichte rookontwikkeling langs de vloer om verstikking te voorkomen.

 

Evacuatie

Het is belangrijk dat je elk begin van brand zo snel mogelijk signaleert. Want dan kan men snel en doeltreffend ingrijpen. Sommige lokalen zijn uitgerust met rookdetectoren; eventuele rookontwikkeling wordt op die manier onmiddellijk aan de bewaking gesignaleerd.

 

Als je rookontwikkeling vaststelt, of een brandgeur of een brand, grijp dan onmiddellijk naar de telefoon en vorm het noodnummer om de bevoegde personen te verwittigen. Vrees je een uitbreiding van de brand, druk dan een brandmelder in om de alarmeringsmiddelen in werking te stellen en de collega’s te waarschuwen. Is er geen brandmelder, doe het dan met handsirenes of toeters.

 

Bij een brandmelding moet iedereen via de evacuatiewegen het gebouw verlaten. Volg de rechthoekige of vierkante reddingsborden met een wit pictogram op een groene achtergrond. Gebruik zeker geen liften. In de evacuatiewegen gaat automatisch de veiligheidsverlichting aan als de elektriciteit uitvalt. Ter hoogte van de nooddeuren is er een veiligheidsverlichtingsarmatuur met daarop eventueel de tekst: ‘Nooduitgang’ of ‘Exit’.

 

Stapel geen goederen op voor een branddeur. Brand brengt rook teweeg en die rook is gevaarlijk omdat hij warmte vervoert, omdat hij de zichtbaarheid vermindert en omdat hij agressieve bestanddelen bevat. Er is ook gevaar voor CO-intoxicatie.

 

Het is dus onverantwoord om in de evacuatiewegen hindernissen achter te laten die het oriëntatievermogen kunnen aantasten. Het hindert de evacuatie en kan zelfs leiden tot paniek.

 

Informeer ook naar de gangbare evacuatieprocedure in je onderwijsinstelling.

 

 

4. Veiligheidsborden

 

Het doel van een veiligheidsbord is op een snelle en gemakkelijk te begrijpen manier de aandacht te vestigen op voorwerpen en situaties die bepaalde gevaren inhouden. De signalisatie speelt niet alleen een belangrijke rol wanneer er zich een ramp voordoet, maar ook in de preventie ervan. Het personeel en de leerlingen mogen dan al de veiligheidsinstructies kennen, toch zijn borden vaak de enige manier om nieuwkomers of externe personen te informeren. Onder de veiligheidsborden onderscheiden we de verbodsborden, de gebodsborden, de waarschuwingsborden, de brandbestrijdingsborden, de reddingsborden en de evacuatieborden.

 

Verbodsborden

 

Verbodsborden geven aan dat een handeling niet mag worden gesteld:

• rode cirkel op een witte achtergrond

• een afbeelding van de handeling die verboden is, bv. roken

• de afbeelding is rood doorstreept

Gebodsborden

Gebodsborden wijzen op een verplicht dragen van veilige kleding of accessoires (bril, handschoenen, schoenen):

• blauwe cirkel

• afbeelding van de actie die verplicht is, bv. een helm dragen

Reddingsborden

 

Reddingsborden geven de richting aan die je moet volgen om in veiligheid te raken of op een plaats waar reddingsmiddelen voorhanden zijn:

• groene vierkanten of rechthoeken

• afbeelding van

- een reddingsmiddel: eerstehulppost, telefoon

- een pijl die de richting naar een reddingsmiddel aangeeft

- de richting of de plaats van de evacuatiewegen en de nooduitgangen

Waarschuwingsborden

 

Waarschuwingsborden wijzen op een mogelijk gevaar: gevaarlijke stoffen, gevaar om te vallen, hoge of lage temperatuur:

• gele driehoek met zwarte band

• afbeelding van het mogelijke gevaar, bv. giftige stoffen

Brandbestrijdingsborden

 

Borden bestaande uit een pijl en een teken geven de weg aan naar de plaats waar je brandbestrijdingsmiddelen

kunt vinden of naar een verzamelpunt:

• rode vierkanten of rechthoeken

• afbeelding van

- een brandbestrijdingsmiddel: brandblusser, haspel, ladder

- een pijl die de richting naar een bestrijdingsmiddel aangeeft

5. Werken met producten met gevaarlijke eigenschappen

 

Bij contact met de huid kunnen gevaarlijke stoffen de huid beschadigen. Langs de huid of via de ogen dringen ze in vloeibare of gasvormige toestand het lichaam binnen. Ze kunnen ook naar de mond worden gebracht door vuile handen. Via de spijsvertering worden ze ofwel in vaste toestand (stof, poeders, korrels) of in vloeibare (ontvetters, white spirit, oplosmiddelen) in hun geheel opgenomen in het maag-darmkanaal. In de vorm van dampen, samengeperste gassen, olienevels, lasgassen e.d. worden

ze ingeademd en komen ze in de longen terecht, en uiteindelijk in het bloed.

 

Het etiket

 

Het etiket op de verpakking van een product is de eerste en meest directe bron van informatie over het product. Lees eerst het etiket, voor je met een gevaarlijk product aan de slag gaat. Op het veiligheidsinformatieblad vind je desnoods bijkomende uitleg over hoe je veilig en gezond met scheikundige producten kunt werken.

 

Het etiket (het waarschuwingspictogram) bevat de volgende informatie: het gevaarpictogram, de veiligheidszinnen, de productnaam, naam en adres van de leverancier en de namen van sommige bestanddelen die bij een bepaalde concentratie gevaarlijk zijn.

Bij de veiligheidszinnen onderscheiden we de R-zinnen (Risk) en de S-zinnen (Safety). De R-zinnen vermelden de risico’s bij het gebruik van het product. Zo weet je wat er allemaal kan mislopen en kun je voorzorgsmaatregelen treffen. De S-zinnen zijn bedoeld om de risico’s te beperken en de veiligheid bij het gebruik van het product te verhogen.

 

De klassieke oranje HSID-symbolen vervallen. HSID wordt GHS/CLP. De pictogrammen van het Globally Harmonised System worden wereldwijd verplicht. In mensentaal: alle chemische stoffen worden op een nieuwe eenduidige manier weergegeven. Die nieuwe classificatie en etikettering is van toepassing vanaf 1 december 2010 voor zuivere stoffen en vanaf 1 juni 2015 voor mengsels.

 

Veiligheids- of gezondheidssignalisatietekens vestigen de aandacht op:

• voorwerpen

• activiteiten

• situaties

• gedragingen die bepaalde gevaren inhouden.

Verklaring van de nieuwe meest gebruikte pictogrammen

Irriterend (Xi)

Kan door rechtstreeks, langdurig of repetitief contact met de huid en de slijmvliezen een ontstekingsreactie veroorzaken. Voorbeelden: bleekwater, solventen, terpentijn, polyestermastiek/stopverf, enz.

 

Schadelijk (Xn)

Kan door inademen, inslikken of opname via de huid de dood veroorzaken of de gezondheid chronisch of acuut schaden. Voorbeelden: solventen, afbijtmiddel, verf, lakverf, vernis, lijmen, producten voor bescherming en/of onderhoud van hout, enz.

Giftig (T)

Kan in kleine hoeveelheid door inademen, inslikken en opname via de huid de dood veroorzaken of de gezondheid chronisch of acuut schaden. Voorbeelden: methanol, benzeen, ontvlekkers, waterdicht makende sprays, ontsmettingsmiddelen, middelen tegen onkruid en ongedierte, metaaldampen (kwik, lood, ...), enz.

 

Zeer giftig (T+)

Kan in zeer kleine hoeveelheid door inademen, inslikken en opname via de huid de dood veroorzaken of de gezondheid chronisch of acuut schaden. Voorbeelden: cyaanwaterstof (blauwzuur, arseentrioxide, parathion, enz.).

Corrosief (C)

Kan bij contact een afbrekende werking hebben op levende weefsels.

Voorbeelden: ontkalker, afbijtmiddel, bijtende soda, kaliumhydroxide, agressieve zuren (zwavelzuur), zware bases/logen, natriumhydroxide).

Ontplofbaar (E)

Kan een exothermische reactie (sterke warmteontwikkeling) geven met snelle gasontwikkeling, zelfs zonder zuurstof in de lucht, en kan een knal, een snelle ontploffing, een explosie veroorzaken onder invloed van warmte en bij gedeeltelijke compartimentering. Voorbeelden: allerhande spuitbussen/aerosols (bv. haarlak, autoruitenontdooier, ...), gas (bv. waterstof, ethyleen, propaan, butaan, lpg, aardgas,

acetyleen, ...), nitroglycerine, TNT, enz.

Oxiderend (O)

Kan een sterke warmteontwikkeling geven bij contact met andere stoffen (namelijk de ontvlambare stoffen). Voorbeelden: zuurstofwater, kaliumchloride, natriumchloride, salpeterzuur, perchloorzuur, ozon, zuurstof, peroxide, enz.

Licht ontvlambaar (F)

Stoffen en bereidingen die opwarmen en ontvlammen op kamertemperatuur, zonder energietoevoer, of vaste stoffen die snel kunnen ontvlammen door een snelle ontstekingsbron en verder blijven smeulen na het wegnemen van de ontstekingsbron of vloeistoffen met een zeer laag vlampunt of die in contact met water of vochtige lucht zeer licht ontvlambare gassen produceren in gevaarlijke hoeveelheden. Voorbeelden:

aceton, ethanol, tolueen, enz.

 

Zeer licht ontvlambaar (F+)

Vloeistoffen met een laag kookpunt en een extreem laag vlampunt, ook de gassen die op kamertemperatuur en bij normale druk ontvlambaar zijn in contact met lucht. Voorbeelden: waterstof, acetyleen, diethylether, enz.

Gevaarlijk voor het milieu (N en/of R52, R53, R59)/Ecotoxisch Kan een onmiddellijk of uitgesteld risico betekenen voor het milieu als het product in het milieu terechtkomt. Voorbeelden: bepaalde onkruiden ongedierteverdelgers (bv. parathion, …), zware metalen (kwik, lood, cadmium, ...), cfk, pcb, bepaalde solventen (bv. thiodicresol), enz.

Houder onder druk

Voorbeelden: gasflessen, zuurstofflessen enz…….

Lange termijn gezondheidsschadelijk

Voor stoffen en mengsels die kankerverwekkend, mutageen en/of giftig voor de voortplanting (reprotoxisch) zijn.

Omgaan met producten met gevaarlijke eigenschappen

 

• Bewaar producten met gevaarlijke eigenschappen in speciale kasten die altijd op slot zijn en voorzien van het bijpassende pictogram en de vermelding “Verboden toegang voor onbevoegden en leerlingen”.

• Lees aandachtig de etiketten op de verpakking en volg de veiligheidsinstructies op.

• Werd je bespat door een of ander product, trek dan altijd de aangepaste kledij uit en spoel je huid overvloedig met water.

• Verwijder nooit etiketten van een verpakking en zorg dat ze altijd goed leesbaar blijven.

• Respecteer altijd de instructies in verband met het voorradig houden, opslaan en transporteren van producten met gevaarlijke eigenschappen.

• Gebruik indien nodig de geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen.

• Laat geen recipiënten open staan, maar sluit ze degelijk af.

• Producten mengen kan zeer gevaarlijk zijn, bijvoorbeeld: bleekwater mengen met een wc-reiniger (bv. een ontkalkingsmiddel) doet chloorgas ontstaan dat brandwonden en zelfs verstikking kan veroorzaken.

• Stockeer nooit in andere recipiënten dan de originele (geen confituurpotten of frisdrankflesjes gebruiken).

• Niet alle afvalresten kunnen en mogen zomaar in de gootsteen! Werd er met een vloeistof gemorst, gebruik dan een inert absorberend poeder.

• EHBO: bij inname – antigifcentrum 02 345 45 45 - bel 112 en een dokter.

• Bij corrosieve producten, overvloedig spoelen met water gedurende 10 minuten.

• Bij de aankoop: het ontbreken van een etiket met het gevarensymbool betekent nog niet dat er geen gevaar is. Een product met een etiket aanschaffen is al een uitstekende preventiemaatregel. Vraag ook naar het veiligheidsinformatieblad (MSDS) van het product.

• Je mag niet eten en drinken terwijl je producten met gevaarlijke eigenschappen gebruikt.

• Was na gebruik steeds je handen.

• Verpakkingen en restanten moet je verzamelen en laten ophalen als chemisch afval.

 

6. Elektriciteit

 

Elektriciteit is een prachtding. Het biedt enorm veel mogelijkheden en maakt ons leven vaak aangenamer.

Jammer genoeg zijn er ook gevaren aan verbonden die een leven op slag kunnen veranderen.

 

Signaleer onmiddellijk iedere abnormale opwarming, stroomverlies of defect.

 

Wat je in geen geval mag doen:

• een smeltzekering herstellen

• in een elektrische verdeelkast knoeien

• elektrische verdeelkasten open laten staan

• een hoogspanningscabine betreden

• een installatie, toestel aan- of uitschakelen zonder iedereen te verwittigen

• een stopcontact overbelasten

• een dominostekker (kattenkop) gebruiken.

 

Een laatste tip, maar zeker niet de minst belangrijke: voer zelf nooit herstellingen uit, maar haal de elektricien erbij. Enkel hij is bevoegd en beschikt over de aangepaste uitrusting om defecten op te sporen en op een deskundige wijze herstellingen uit te voeren.

Herstellingen kunnen alleen worden uitgevoerd door een personeelslid met voldoende kennis en opleiding en in het bezit van een door de werkgever afgeleverd attest BA/4 - BA/5.

Bij het werken met elektrisch aangedreven apparaten gelden de volgende veiligheidsregels:

• Alleen hiervoor opgeleide en bevoegde personen mogen elektrotechnische werkzaamheden aan elektrisch aangedreven apparatuur of installaties verrichten;

• In een besloten ruimte wordt bij voorkeur gewerkt met elektrische toestellen die op batterijen werken of op een veilige spanning waarbij rekening is gehouden met de omgevingsfactoren;

• Wordt er gebruik gemaakt van een scheidingstransformator, dan moet die altijd buiten de besloten ruimte worden opgesteld;

• Vervang een doorgesmolten zekering pas als de oorzaak van het doorsmelten is weggenomen. Vervang die nooit door een zwaardere zekering. Voordat je de nieuwe zekering plaatst, schakel je het best eerst alle op de betrokken groep aangesloten elektrische apparaten uit;

• Voorkom dat elektrische kabels over scherpe randen worden gelegd of gekneld zitten tussen bewegende delen;

• Aan elektrische kabels mag je niet trekken;

• Hang bij voorkeur elektrische kabels op; zo voorkom je struikelgevaar en/of beschadiging;

• Rol elektrische haspels bij het gebruik altijd uit om oververhitting van de geleiders te voorkomen;

• Is er iemand in aanraking gekomen met elektrische stroom, handel dan als volgt:

- schakel de stroomtoevoer uit

- bel direct het alarmnummer 112

- raak het slachtoffer niet aan

Uitrusting

• Gelaatscherm

• Geïsoleerd gereedschap met symbool

• Werkkledij gemaakt van katoen

• Isolerende mat

• Elektrisch isolerende handschoenen met het symbool Informeer ook naar de procedures van de preventiedienst

7. EHBO

 

Wees gerust, zelfs het kleinste letsel, hoe onbeduidend het ook lijkt, moet onmiddellijk verzorgd en gemeld worden. Kleine verwondingen niet verzorgen kan leiden tot ernstige verwikkelingen. De eerste verzorging op school wordt gegeven in het EHBO-lokaal of op de plaats van het ongeval zelf. Bij een ernstig ongeval op de school moet je onmiddellijk de directeur en de personeelsdienst verwittigen. Zij zullen dan een dokter of een ziekenwagen oproepen. Bij ernstige verwondingen, hartaanvallen, aantasting van de luchtwegen,… roep je zo snel mogelijk medische hulp in. Je kunt dit doen door het secretariaat te verwittigen, dat dan de hulpdiensten zal oproepen. Het is dus belangrijk dat je zeker weet waar je op school of in de kortste omgeving een telefoontoestel vindt. De eerste zorgen mogen door een EHBO’er toegediend worden.

 

Bij een ongeval van een personeelslid moet je ook nog de directeur verwittigen, opdat zo snel mogelijk de procedure voor de aanvraag van een arbeidsongeval gestart kan worden. Ook elk ongeval op de weg van of naar het werk moet aan de directeur gemeld worden.

 

Bij een ernstig arbeidsongeval breng je onmiddellijk de Gemeenschappelijke preventiedienst op de hoogte. Deze dienst zal een grondig en specifiek onderzoek uitvoeren, om preventieve maatregelen te kunnen treffen.

 

Administratieve procedure bij arbeidsongevallen

 

Bij elk arbeidsongeval of ongeval op de arbeidsweg moet uiterlijk binnen de 48 uren een aangifteformulier ingevuld worden.

Model A van het formulier wordt ingevuld door het slachtoffer, de rechthebbenden, de hiërarchische meerdere of een belanghebbende persoon. Model B wordt ingevuld door de behandelende geneesheer.

 

• Opgave van aanvullende informatie over een arbeidsongeval

Deel 1: Gegevens van het slachtoffer, van de onderwijsinstelling en van het ongeval, bij te voegen

bewijsstukken, ondertekend door de hiërarchische meerdere.

• Opgave van informatie over een arbeidsongeval met een aansprakelijke derde

Deel 2: Getuigenverklaring

 

De modelformulieren en de volledige uitleg bij het invullen ervan vind je in de Coördinatie der Omzendbrieven

– PERS/I/Administratieve documenten – 13AC/IF/ONG.28.1 7.3.2.2.

 

Als een slachtoffer ten gevolge van een arbeidsongeval minstens één dag tijdelijk arbeidsongeschikt is, dan moet de behandelende dokter het medisch attest Medex invullen. Dit attest moet naar het geneeskundig centrum van het slachtoffer gestuurd worden. Als de toegekende periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid verstreken is en de betrokkene dan nog niet in staat is om het werk te hervatten, dan moet op de vooravond van de dag waarop de toegekende periode eindigt, een nieuw medisch attest Medex ingevuld en opgestuurd worden. De behandelende dokter vermeldt daarop zeer duidelijk de diagnose, de datum van het arbeidsongeval en de periode van arbeidsongeschiktheid die hij noodzakelijk acht. Hij moet ook aangeven of het slachtoffer al dan niet voor controle naar het medisch centrum kan gaan. Hij moet ten slotte zijn naamstempel op het getuigschrift aanbrengen.

Je kunt het formulier downloaden van de website van Medex-AGD: https://portal.health.fgov.be.

 

Opgelet: volgens de huidige wetgeving moet de werknemer (dus zowel onderworpen als niet onderworpen) die meer dan vier weken afwezig is geweest zelf een medisch onderzoek aanvragen. De afwezigheid kan verschillende redenen hebben: niet enkel na een arbeidsongeval, maar ook na ziekte, ongeval in de privésfeer,…Dit is een maatregel om de werknemer te beschermen. Het kan immers gebeuren dat de werknemer op advies van een controlearts te snel terug aan het werk gaat.

Uiteraard kan de werkgever dit onderzoek ook nog steeds aanvragen voor onderworpen werknemers (bv. bij twijfel of de werknemer effectief het werk kan hervatten), zelfs na een kortere periode van werkverlet (bv. bij hoogtewerk, veiligheidsfunctie,…….).

 

Nuttige tips

 

• onderneem niets dat het slachtoffer in gevaar kan brengen - een ondoordachte handeling kan catastrofale gevolgen hebben;

• verplaats het slachtoffer niet tenzij er gevaar bestaat voor instorting, brand, ontploffing,…;

• voorkom een tweede ongeval;

• houd toegangswegen vrij;

• stel de gekwetste gerust;

• panikeer niet;

• aanvaard nooit een regeling in der minne;

• zorg ervoor dat de leerlingen uit de buurt zijn en geef ruimte aan het slachtoffer;

• kijk goed naar wat er gebeurd is, verzorg je eigen veiligheid en die van het slachtoffer en de overige leerlingen en/of personeel;

• gebruik nooit mercurochroom om een wonde te ontsmetten;

• Bij elke open wonde is er gevaar voor tetanus of klem – ga altijd goed na of het slachtoffer al is ingeënt. Ga eventueel naar een dokter. Dateert de laatste inenting van meer dan tien jaar geleden, dan is een nieuwe prik zeker nodig;

• Bij blaren: breng preventief een kleefpleister op ‘bedreigde’ plaatsen aan.

 

Hoe omgaan met bloed en andere lichaamsvochten?

 

Andere lichaamsvochten zijn o.a. urine, stoelgang en braaksel.

• Draag niet-steriele wegwerphandschoenen;

• Verwijder het vocht met een of meer papieren wegwerpdoekjes;

• Gooi handschoenen en wegwerpdoekjes in de vuilnisbak;

• Trek nieuwe wegwerphandschoenen aan;

• Reinig en droog het oppervlak/voorwerp;

• Ontsmet het oppervlak/voorwerp met alcohol 70% (< 0,5 m²) en laat aan de lucht drogen.

Gebruik een chlooroplossing om grotere oppervlakken te ontsmetten;

• Gooi de handschoenen weg. Gooi ook schoonmaakmaterialen weg of was ze op 60 °C;

• Was je handen met water en zeep;

• Was bevuild textiel op 60 °C. Ook bij het verzorgen van een wonde of een neusbloeding is het aan te raden om altijd wegwerphandschoenen te dragen.

8. Ergonomie

 

Je hebt maar één rug en daar moet je ’t je leven lang mee doen. Wees dus voorzichtig, spaar je lichaam en neem altijd de juiste werkhouding aan. Je houding bepaalt mee je veiligheid en je gezondheid. Gebruik ook ergonomisch verantwoord werkmateriaal.

 

Wil je bepaalde taken op de meest doelmatige en minst vermoeiende manier uitvoeren, onthoud dan het volgende lijstje (van weinig naar zeer vermoeiend): liggen – zitten – hurken – staan – lopen – bukken – rekken – klimmen. Liggen is een houding die niet vermoeit (denk aan slapen). Het meest vermoeiend zijn bukken, rekken en klimmen. Vermijd zoveel mogelijk de meest vermoeiende werkhouding (bv. bukken en rekken).

 

Enkele vuistregels om je geen probleem op de “rug” te halen.

 

• ga vlak voor en zo dicht mogelijk bij het voorwerp staan;

• plant beide voeten stevig op de grond, lichtjes gespreid, links en rechts van de last;

• hurk neer en houd de benen steeds goed gespreid. Houd ook de rug recht. Buig door de benen;

• pak het voorwerp stevig vast, zodat het niet uit je handen kan glijden;

• til het voorwerp op door langzaam de benen te strekken, tot je weer volledig recht staat.

• hou het voorwerp goed vast, stevig tegen je lichaam gedrukt;

• ga ook altijd na of het voorwerp niet te zwaar of te onhandig is voor jou alleen. Bij de minste twijfel: laat je helpen, twee paar handen kunnen meer dan één.

9. Moederschapsbescherming

 

In het kader van de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemer op het werk werden voor de zwangere werkneemsters en de werkneemsters die borstvoeding geven een aantal specifieke maatregelen genomen. Zo kunnen zij nachtarbeid weigeren, mag men hen geen overwerk laten doen, noch bepaalde taken opleggen die een risico inhouden voor hun toestand.

In samenwerking met een preventieadviseur-arbeidsgeneesheer van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk en de interne preventiedienst (Gemeenschappelijke preventiedienst GO!) stelt de werkgever - zonder dat er al een aanleiding toe is - een inventaris op van de activiteiten die door hun aard en duur risico’s met zich kunnen meebrengen voor zwangere werkneemsters of werkneemsters die borstvoeding geven en de algemene beschermingsmaatregelen die daarmee gepaard moeten gaan. In de regelgeving werd reeds een niet-limitatieve lijst van risico’s opgenomen, zoals: het tillen van zware lasten, bewegingen, houdingen, verplaatsingen, geestelijke en lichamelijke vermoeidheid en andere lichamelijke belastingen in verband met werken met gevaar voor agressie (bv. in het buitengewoon onderwijs waar men veelal te maken krijgt met moeilijke leerlingen).

 

Het document met de resultaten van die evaluatie en de te nemen maatregelen moet voor advies worden bezorgd aan het bevoegde comité of, bij ontstentenis, aan de vakbondsafvaardiging en wordt aan de werkneemsters bekendgemaakt. Vanaf het moment dat een werkneemster de werkgever inlicht over het feit dat zij zwanger is of borstvoeding geeft, moet hij de nodige preventieve maatregelen

treffen door dat concrete geval te toetsen aan de risico-evaluatie (aard en duur van de blootstelling aan). Hij vraagt een dringend onderzoek aan bij de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer en regelt een afspraak via het call center van “Arista” (tel. 078 150188). Het aanvraagformulier “Verzoek om Gezondheidstoezicht over de Werknemers” wordt dan ingevuld (rubriek 4: onderzoek in het kader van de moederschapsbescherming). Indien de werkneemster aan bepaalde risico’s wordt blootgesteld (zoals opgesomd in de regelgeving en in de inventaris), moet de werkgever onmiddellijk tot aan het tijdstip van het onderzoek door de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer een van de volgende maatregelen nemen:

 

• ofwel past hij de arbeidsomstandigheden of de risicogebonden werktijden van de bedoelde werkneemster tijdelijk aan;

• of als dat technisch of objectief niet kan, of als hij dat om gegronde redenen redelijkerwijs niet van haar kan verlangen, geeft hij haar een andere, voor haar toestand toelaatbare arbeid;

• of als een overplaatsing technisch of objectief niet mogelijk is, of om gegronde redenen redelijkerwijs niet kan worden verlangd, schorst hij de arbeidsovereenkomst.

 

In de twee laatste gevallen wordt de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst geschorst.

Het gaat o.a. om de gevallen waarin de werkneemster:

 

• arbeid uitvoert waardoor zij in contact komt met giftige producten;

• in de laatste 3 maanden van de zwangerschap zware lasten moet tillen;

• tijdens de 9de en 10de week na de bevalling (voor werkneemsters tijdens de lactatie) zware

lasten moet tillen.

Pas nadien wordt de werkneemster onderzocht door de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, die de algemene maatregel kan aanpassen aan haar specifieke situatie. De werkgever moet dit advies dan volgen.

 

Wordt de werkneemster blootgesteld aan een risico dat specifiek is voor de instelling (niet opgenomen in de regelgeving, maar wel in de inventaris), dan moet ze zich, op verzoek van de werkgever, onderwerpen aan een onderzoek door de arbeidsgeneesheer. Die zal dan vermelden:

 

• ofwel dat de werkneemster voldoende geschikt is om haar activiteiten voort te zetten of ze voort te zetten onder voorwaarden die hij bepaalt;

• ofwel dat de werkneemster de nieuwe activiteit die haar wordt voorgesteld mag uitvoeren, en voor een periode die hij bepaalt;

• ofwel dat de werkneemster niet geschikt is om haar activiteiten voort te zetten tijdens een bepaalde periode, en evenmin om een nieuwe activiteit aan te vatten tijdens een bepaalde periode;

• ofwel dat de werkneemster met ziekte- of zwangerschapsverlof moet.

 

De werkneemster moet zich bij de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer aanmelden met alle nuttige documenten (attest zwangerschap met vermoedelijke bevallingsdatum, resultaat bloedafnames met bepaling van antistoffen tegen cytomegaalvirus, toxoplasmose, hepatitis,…).

 

De werkgever beslist in overeenstemming met het advies van de preventieadviseur-geneesheer. De werkneemster kan het advies van de arbeidsgeneesheer betwisten, maar dit schorst de beslissing niet. Heeft de werkgever het onderzoek niet gevraagd, dan kan hij beslissen op basis van het doktersattest van de werkneemster.

 

Het kan gebeuren dat de werkneemster zelf een ziekte inroept of een risico dat aan het werk kan worden toegeschreven maar niet vermeld wordt in de regelgeving of de inventaris. In dat geval zal de werkgever een van de bovenstaande maatregelen ook moeten toepassen als die ziekte of het risico door de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer werd erkend. Als de periode voor de toepassing van de genomen maatregelen verstreken is omdat het risico geweken is, moet de werkneemster in principe opnieuw worden tewerkgesteld onder dezelfde voorwaarden als voordien. Werd er een verwijderingsmaatregel genomen, dan wordt de werkneemster na het hervatten van haar werk, binnen de 8 dagen, onderworpen aan een nieuw onderzoek. De arbeidsgeneesheer zal voorstellen

 

• ofwel dat de werkneemster het werk hervat in de functie die ze voor het ingaan van de verwijderingsmaatregel had;

• ofwel om de verwijderingsmaatregel te verlengen of om een nieuwe maatregel te nemen, wanneer hij vaststelt dat er nog steeds een risico bestaat voor de veiligheid of de gezondheid van de werkneemster.

 

Zolang de verwijderingsmaatregel loopt, krijgt de werkneemster vergoedingen van haar ziekenfonds of weddes/weddetoelagen ten laste van het departement Onderwijs. De werkgever is geen gewaarborgd loon verschuldigd.

10. Geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk

 

De wettelijke bepalingen in verband met de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk staan in hoofdstuk V bis van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, gewijzigd door de wetten van 10 januari 2007 en 6 februari 2007. Ze worden tot uitvoering gebracht door het Koninklijk Besluit van 17 mei

2007 betreffende de voorkoming van psychosociale belasting veroorzaakt door het werk, waaronder geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag.

 

Algemene bepalingen en definities

 

De strijd tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk heeft betrekking op de personeelsleden en de door de wet aan deze personeelsleden gelijkgestelde personen, zowel als op de werkgevers en zelfs op de andere personen die zich op de werkvloer bevinden (ouders, leveranciers…).

 

Definities:

 

1. geweld op het werk: elke feitelijkheid waarbij een personeelslid of een andere persoon waarop art. 32bis van de Welzijnswet van 4 augustus 1996 van toepassing is, psychisch of fysiek wordt lastiggevallen, bedreigd of aangevallen bij de uitvoering van het werk.

 

2. pesterijen op het werk: verscheidene gelijkaardige of uiteenlopende onrechtmatige gedragingen, buiten of binnen de school of instelling,

- die plaats hebben gedurende een bepaalde tijd,

- die tot doel of gevolg hebben dat bij de uitvoering van het werk de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een werknemer of een andere persoon waarop art. 32bis van de Welzijnswet van 4 augustus 1996 van toepassing is,

wordt aangetast, dat zijn betrekking in gevaar wordt gebracht of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd,

- die zich inzonderheid uiten in woorden, bedreigingen, handelingen, gebaren of eenzijdige geschriften. Deze gedragingen kunnen inzonderheid verband houden met godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd, seksuele geaardheid, geslacht, ras of etnische herkomst.

 

3. ongewenst seksueel gedrag op het werk: elke vorm van ongewenst verbaal, non-verbaal of lichamelijk gedrag met een seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de waardigheid van een persoon wordt aangetast of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.

 

Intentieverklaring

 

Binnen de scholengroepen van het GO! onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap mag geen enkel personeelslid het slachtoffer zijn van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk. Om dit te bereiken vragen wij zowel van leidinggevenden als van alle personeelsleden een inspanning:

• Leidinggevenden moeten evenveel aandacht besteden aan kwaliteitsvolle en motiverende arbeidsomstandigheden als aan de te behalen resultaten. Ze moeten alert zijn voor wat er binnen hun teams of afdelingen leeft en mogen niet dulden dat de persoonlijke grenzen van hun ondergeschikten worden overschreden. Leidinggevenden hebben zelf ook een voorbeeldfunctie te vervullen.

• Alle personeelsleden moeten meewerken aan een positief arbeidsklimaat. Aan iedereen vragen wij niet mee te doen met pesterijen of ander ongeoorloofd gedrag en waar het kan zelf verantwoordelijkheid op te nemen om tot oplossingen te komen.

 

Maatregelen en procedures

De scholengroepen van het GO! treffen de nodige maatregelen die mogelijke slachtoffers van geweld, pesterijen en ongewenst (seksueel) gedrag op het werk in staat stellen om hun rechten te doen gelden. Een van deze maatregelen is het aanstellen van een vertrouwenspersoon (optioneel) en een preventieadviseur psychosociale aspecten van het werk (wettelijk verplicht). Hun contactgegevens staan in de laatste paragraaf van deze rubriek en in het arbeidsreglement.

 

Als je denkt het slachtoffer te zijn van feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, contacteer dan in eerste instantie de vertrouwenspersoon. Je kunt je ook rechtstreeks wenden tot de preventieadviseur psychosociale aspecten van het werk. Binnen de 8 kalenderdagen na dit eerste contact moet je gehoord worden en een eerste informatie ontvangen over de verschillende actiemogelijkheden die de interne procedure je biedt.

 

Als je denkt het slachtoffer te zijn van ontoelaatbaar gedrag van collega’s, leidinggevenden, ouders, externen … kun je verschillende wegen bewandelen. Je kunt kiezen voor een van de interne procedures, je kunt je wenden tot de ambtenaren belast met het toezicht of je kunt kiezen voor een procedure voor het bevoegde rechtscollege.

 

 

 

Spreek erover en win advies in.

 

Start een interne procedure op:

 

- Volg de informele procedure: vraag een gesprek of bemiddeling aan bij de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur psychosociale aspecten.

- Volg de formele procedure: dien een met redenen omklede klacht in bij de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur psychosociale aspecten.

 

Andere mogelijkheden waarin de wet voorziet:

 

- Dien een met redenen omklede klacht in bij de diensten, belast met het Toezicht op het Welzijn op het Werk (TWW).

- Maak een rechtsvordering aanhangig bij de arbeidsrechtbank.

- Start een strafrechtelijke procedure op bij de correctionele rechtbank.

 

Al deze procedures zijn uitgebreid opgenomen in het arbeidsreglement. Je vindt ze ook op www.g-o.be/preventie.

 

 

Sancties

Personeelsleden die zich schuldig maken aan enige vorm van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk zullen gestraft worden. Personeelsleden die ten onrechte iemand beschuldigen van daden van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag kunnen eveneens gestraft worden. Zonder afbreuk te doen aan de regels die van toepassing zijn bij ontslag en de straffen die zouden opgelegd worden bij een rechtelijke actie, zullen de maatregelen of straffen die in deze gevallen uitgesproken

worden, overeenstemmen met de procedures zoals beschreven in het Decreet Rechtspositie van 27 maart 1991.

 

Klachtenregister voor grensoverschrijdend gedrag van externen/derden

Als je het slachtoffer bent van ontoelaatbaar gedrag gesteld door personen die extern zijn aan de school of instelling, heb je het recht hierover een verklaring af te leggen. Deze verklaring omvat een beschrijving en de data van de feiten. Jouw identiteit wordt enkel met jouw toestemming vermeld, en is niet verplicht.

De werkgever moet de verklaringen van personeelsleden systematisch bundelen in een register over feiten van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk gesteld door externen/derden. Hij zorgt ervoor dat de verklaringen worden meegedeeld aan de bevoegde preventieadviseur met het oog op een risicoanalyse a posteriori. Elke verklaring moet vijf jaar lang bijgehouden worden vanaf de dag waarop ze opgetekend werd.

 

Dit klachtenregister wordt beheerd en bewaard door de vertrouwenspersoon. Alleen de werkgever, de bevoegde preventieadviseur en de vertrouwenspersoon hebben toegang tot dit register. De sjabloon voor het invullen van een verklaring kun je vragen aan de vertrouwenspersoon.

 

Psychologische ondersteuning

De werkgever waakt erover dat de personeelsleden die het slachtoffer zijn van een daad van geweld,

pesterijen of ongewenst gedrag op het werk passende psychologische ondersteuning krijgen van gespecialiseerde

diensten of instellingen.

11. Minder stress op het werk

 

Ideeën om samen oplossingen te vinden voor stress op het werk.

 

Sfeer

• Probeer met constructieve ideeën te komen om zaken te verbeteren.

 

Eisen

• Stel prioriteiten in je werk. Is er te veel werk, stel dan voor wat niet gedaan kan worden, wat kan blijven liggen of doorgegeven worden aan anderen zonder dat zij te veel belast worden.

• Informeer je directeur, vakbonds- of andere werknemersvertegenwoordiger als je het gevoel krijgt dat je het niet meer aankunt en kom met voorstellen om de situatie te verbeteren.

• Stel nieuwe taken voor als je meer afwisseling wilt.

• Als je je zorgen maakt, vraag dan meer informatie over gevaren en voorzorgsmaatregelen op je werkplek.

 

Controle

• Vraag meer verantwoordelijkheid bij het plannen van je eigen werk.

• Vraag betrokken te worden bij de besluitvorming over jouw werkomgeving.

 

Relaties

• Zorg ervoor dat jouw gedrag tegenover anderen altijd als voorbeeld kan dienen.

 

Verandering

• Vraag informatie over veranderingen, hoe die jou beïnvloeden, over de planning en de mogelijke voor- en nadelen.

 

Taken

• Praat met je directeur als je de verantwoordelijkheden in jouw functie niet duidelijk vindt.

 

Steun

• Vraag feedback over de manier waarop je jouw functie vervult. Krijg je kritiek, vraag dan of er in plaats daarvan suggesties kunnen gedaan worden.

 

Opleiding

• Vind je dat je jouw vaardigheden moet ontwikkelen, kom dan met een voorstel hoe je dit kunt doen.

12. Roken

 

Binnenin de school of het centrum voor leerlingenbegeleiding

Het is verboden te roken in de gesloten plaatsen van de instellingen:

- klassen, werkruimten, hallen, gangen, liften, gesloten parkeergarages;

- sociale voorzieningen zoals de sanitaire voorzieningen, refters en lokalen bestemd voor rust of eerste hulp;

- vervoermiddelen bestemd voor gemeenschappelijk vervoer.

Dit rookverbod geldt 24u/24u en 7d/7d. Dus ook ’s avonds of in het weekend. Er is geen aparte rookkamer.

 

Open plaatsen binnen de school of het centrum voor leerlingenbegeleiding

In de open plaatsen van de instellingen is het verboden te roken op weekdagen tussen 6.30 uur en 18.30 uur:

- op de speelplaats/recreatieruimte;

- op de terreinen van de school, eventueel ook bij activiteiten die niets met de school te maken hebben.

 

Extra-murosactiviteiten

Tijdens extra-murosactiviteiten is het verboden te roken tussen 6.30 uur en 18.30 uur, ongeacht of de activiteit op een weekdag of in het weekend valt. Het is dus verboden te roken op weg naar het zwembad, de sporthal, een museum, enz.

 

Sancties

Bij overtreding van het rookverbod kan klacht worden ingediend, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk bij de algemeen directeur van de scholengroep of de directeur van de instelling. Indien na een tegensprekelijk onderzoek blijkt dat er een overtreding heeft plaatsgevonden, worden de volgende sancties toegepast:

• 1ste overtreding: 1ste schriftelijke verwittiging

• 2de overtreding: 2de schriftelijke verwittiging

• 3de overtreding: 3de schriftelijke verwittiging. Hier wordt vermeld dat bij de

4de overtreding ‘ontslag om dringende redenen’ volgt.

• 4de overtreding: ontslag om dringende redenen.

 

Deze opeenvolgende overtredingen worden vastgesteld binnen een redelijke termijn.

13. Alcohol- en drugsbeleid

 

Algemene doelstelling

De scholengroepen van het GO! onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap hebben in een beleidsverklaring vastgelegd dat ze werk maken van een preventief alcohol- en drugsbeleid. Deze beleidsverklaring is in principe algemeen geldend.

 

Specifieke doelstelling

Het alcohol- en drugsbeleid van de scholengroepen is erop gericht het welzijn en de veiligheid van onze personeelsleden bij de uitvoering van hun werk te bevorderen. Het is een geïntegreerd onderdeel van het algemeen beleid van het GO! onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap.

 

Het gebruik van alcohol of andere drugs op het werk kan de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van het personeel en zijn omgeving negatief beïnvloeden. Het kan ook schadelijk zijn voor de productiviteit en de kwaliteit van het werk èn voor het imago van de scholengroep en van het GO! als net.

 

Onze personeelsleden behartigen de belangen van het onderwijs, van de leerlingen, de cursisten en de consultanten. Zij werken in een pedagogische en didactische context. Alcohol- en drugsgebruik houdt duidelijke risico’s in voor de veiligheid van de leerlingen, cursisten, consultanten, collega’s, ouders, voordrachthouders, bezoekers. Wij zijn dan ook voorstander van een expliciet preventief alcohol- en drugsbeleid met een nultolerantie inzake gebruik. Onze nultolerantie geldt voor leerlingen, cursisten, ouders, voordrachthouders, bezoekers, klanten en personeelsleden van aannemers binnen onze instelling.

 

Wij leggen de nadruk op preventie. De scholengroepen van het GO! willen met dit beleid het disfunctioneren op het werk door alcohol- of drugsgebruik bespreekbaar maken, voorkomen en verhelpen. Er worden duidelijke regels uitgewerkt over beschikbaarheid en gebruik van alcohol en andere drugs op het werk. Verder wordt ook aandacht besteed aan voorlichting en vorming om zodoende alle personeelsleden te informeren en te sensibiliseren. Er zullen praktische procedures worden uitgewerkt voor het geval er zich toch problemen voordoen door alcohol- of drugsgebruik. Met voldoende informatie over de hulpverleningsmogelijkheden.

 

Het alcohol- en drugsbeleid in het GO! steunt op onderstaande uitgangspunten en doelstellingen:

 

• Het beleid geldt voor iedereen.

• Het beleid verbiedt het gebruik van alcohol of andere drugs tijdens het werk en voorkomt dat medewerkers zich op het werk aanmelden onder invloed van alcohol of drugs.

• Na goedkeuring van de beleidsverklaring volgt een afsprakenkader over de omstandigheden en de voorwaarden waaronder afwijkingen op het principieel verbod mogelijk zijn (bv. school- of personeelsfeest, scholen met horecaopleidingen, hotelscholen, volwassenenonderwijs, …).

• Voor veiligheidsfuncties of functies met verhoogde waakzaamheid geldt een absolute nultolerantie.

• Het beleid wil voorkomen dat sociaal gebruik (in de privésfeer) overgaat in probleemgebruik.

Daarom zal er bijzondere aandacht gaan naar het zo vroeg mogelijk herkennen van probleemsituaties, met bijzondere aandacht voor de bepalende rol van de “hiërarchische lijn” hierin.

• Het beleid stelt het functioneren, de werkomgeving en de werkrelaties centraal. Dit betekent dat de “hiërarchische lijn” het personeelslid niet confronteert met het (vermoedelijk) gebruik zelf, maar wel met de mogelijke gevolgen ervan voor de werksituatie (de prestaties en/of de werkomgeving van het personeelslid).

• Het beleid hanteert de structuren en instrumenten die voorhanden zijn om het functioneren te bespreken, zoals opgenomen in het arbeidsreglement, de functiebeschrijving, de orde- en tuchtprocedure en het ontslag.

• Het beleid heeft betrekking op alle genotmiddelen die een gedragsverandering kunnen teweegbrengen en/of die een risico op afhankelijkheid inhouden. Het gaat dus meer bepaald over alcohol, drugs en medicatie die het functioneren negatief beïnvloeden.

• Het beleid wil een aanpak uitschrijven voor zowel acuut als chronisch overmatig gebruik. De aandacht wordt dus niet enkel op de afhankelijkheidsproblematiek gericht maar ook op eenmalig of incidenteel overmatig gebruik. Er zal werk worden gemaakt van een procedure die moet gevolgd worden wanneer een geval van alcohol- of druggebruik wordt vastgesteld. De procedure beschrijft de werkwijze in verband met het vervoer van het betrokken personeelslid naar huis, zijn begeleiding en de kostenregeling.

• Behandeling van personeelsleden met een afhankelijkheidsproblematiek berust op vrijwillige basis. Het verbeteren van het eigen functioneren blijft een plicht van de werknemer zelf.

• Er wordt een aanpak uitgewerkt voor adequate opvang en begeleiding van probleemgebruikers, in overleg met de preventiedienst(en) en de curatieve sector. Een informeel gesprek met de vertrouwenspersoon is te allen tijde mogelijk op dezelfde wijze als bepaald in het arbeidsreglement in verband met grensoverschrijdend gedrag.

• Het beleid is een meerkansenbeleid (graduele aanpak). Als de werkprestaties niet verbeteren en eventuele begeleiding niet werkt, kunnen er sancties genomen worden zoals bepaald in het arbeidsreglement.

 

Bovenstaande doelstellingen en acties gelden voor alle personeelsleden, stagiairs en vrijwilligers van de scholengroepen van het GO!.

 

De uitvoering van dit alcohol- en drugsbeleid is een gedeelde verantwoordelijkheid van alle personeelsleden.

Wij verwachten dan ook dat iedereen, binnen de hem of haar toebedeelde taken en verantwoordelijkheden, meewerkt aan de realisatie van deze doelstellingen en acties. Iedereen zal daartoe de nodige informatie, opleiding en middelen krijgen.

 

Het is elke scholengroep toegestaan om testen, zoals ademtesten en psychomotorische testen, toe te passen onder bepaalde voorwaarden en in overleg met de vakorganisaties. Samen met de vakorganisaties zal men de beperkende voorwaarden, de procedures en de werkwijze daartoe moeten bepalen.

 

 

 

 

14. Specifieke situaties

 

In het verkeer

 

Veiligheidstips voor buschauffeurs bij pech en ongeval

• Leg je fluovestje en gevarendriehoek op een goed bereikbare plaats (bv. in het opbergvak achter de chauffeursstoel). Vaak stelt men vast dat chauffeurs hun fluovestje niet dragen omdat het ver opgeborgen zit in de koffer.

• Leg een paraplu in je voertuig. Dan kun je zonder probleem je voertuig verlaten en op een veilige plaats droog onder de paraplu gaan staan. Ook een deken is nuttig (om je te verwarmen, om onder je knieën te leggen als je een band moet vervangen), en een fles water (om je te verfrissen of je handen te wassen).

• Plaats je voertuig zo veilig mogelijk. Krijg je bijvoorbeeld een lekke band op de autosnelweg, rij dan verder op de pechstrook met je alarmlichten aan tot de volgende parkeerhaven of parking. Blijf niet op de pechstrook staan, want daar is het levensgevaarlijk om een band te wisselen.

• Gebruik de alarmrichtingaanwijzers, maar besef dat het je zichtbaarheid enkel verhoogt als je voertuig evenwijdig met de rijweg staat. Als het dwars of schuin staat, worden andere weggebruikers niet gewaarschuwd door de vier pinkers. In dat geval plaats je veel beter een knipperlicht op je auto dat in alle richtingen zichtbaar is.

• Plaats de gevarendriehoek op 30 meter afstand (om het verkeer dat langs achter nadert te waarschuwen) op gewone wegen en op minstens 100 meter op autowegen. Kun je binnen de bebouwde kom de driehoek niet op 30 meter afstand plaatsen, dan mag die afstand korter zijn of mag je de driehoek op het voertuig plaatsen.

• Je kunt de gevarendriehoek ook gebruiken als waarschuwingssignaal. Plaats hem op ruim 100 meter voor je voertuig aan de rand van de pechstrook. Als een ander voertuig hem aan flarden rijdt, maakt dat een hels lawaai. Zo weet je dat iemand van zijn rijstrook afwijkt. Dat is voor jou het sein om snel een veiliger plaats te zoeken.

• Leg de verpakking van de gevarendriehoek op je stoel. Dat helpt je eraan denken om de driehoek terug te nemen wanneer je opnieuw de weg op kunt.

De volledige handleiding voor professionele buschauffeurs vind je op www.g-o.be/personeel (bij Contractueel personeel)

 

Evacuatietips voor buschauffeurs en busbegeleid(st)ers

 

Alarmering

De melding wordt gedaan door begeleid(st)ers en/of chauffeur:

• rustig blijven en overleggen;

• afgesproken alarmsignaal geven via claxon, microfoon of afgesproken teken;

• paniek voorkomen;

Verzamel eerst alle noodzakelijke informatie vooraleer je de 112 alarmeert. Aan de 112 meld je: wie je bent (wordt soms gevraagd); wat er gebeurd is; waar het gebeurd is: precieze plaatsbeschrijving (gemeente + straatnaam + huisnummer); aantal slachtoffers (bepaalt mee het aantal ziekenwagens dat gestuurd wordt); letsels (zo weet de 112 of er een MUG moet meegestuurd worden); bijzondere omstandigheden: gekneld slachtoffer, slachtoffer in het water of een put, brand…).

Stuur bij voorkeur iemand anders om de 112 te bellen, zodat je zelf bij het slachtoffer kan blijven.

 

Evacuatieplan

Zo snel mogelijk, naargelang de beschikbaarheid, de bus verlaten via de instapdeur vooraan en de nooddeur achteraan. Indien beide deuren buiten gebruik zijn: via de noodluiken in het dak; de zijramen en het achterraam, na gebruik van de noodhamers.

Opleiding: tijdens verkeerslessen begrepen in het leerplan.

 

Evacuatieoefening

Minstens eenmaal per trimester; na aanleren methode: leerlingen steeds laten uitstappen op de aangeleerde

manier zodat het een automatisme wordt.

De volledige evacuatieprocedure vind je in de handleidingen ‘Professionele buschauffeurs’ en ‘Busbegeleid(st)ers niet-zonaal leerlingenvervoer’ op www.g-o.be/personeel (bij Contractueel personeel).

 

Autoverkeer binnen het domein

• Op de terreinen van de school gelden dezelfde verkeersregels als op de openbare weg.

• De maximum snelheid rond het schoolterrein is 30km/u.

• Binnen het schoolterrein geldt een maximum snelheid van 5km/u.

• Men kan slechts parkeren op de daarvoor speciaal voorziene plaatsen.

• Parkeren op de verbindings- en brandwegen is ten strengste verboden.

• Voorzichtigheid is geboden op plaatsen met beperkt uitzicht.

• Instructies van parkingwachters en gemachtigde opzichters moeten opgevolgd worden.

• Wees extra voorzichtig bij de op- en afstapplaatsen van de schoolbus.

• Het is ten strengste verboden met de wagen over de speelplaatsen te rijden.

 

Werken met schoonmaakmiddelen

 

Specifieke veiligheidstips voor schoonmaakpersoneel

 

Hoe ruim je glasscherven op?

• Draag steeds aangepaste veiligheidshandschoenen

• Veeg de glasscherven voorzichtig bij elkaar

• Stofzuig de resten bij elkaar

• Berg de glasscherven nooit in de vuilzak maar in een kartonnen doos en zet ze goed zichtbaar bij de vuilophaling met de vermelding ‘glasscherven’ of breng ze rechtstreeks naar de glascontainer

 

Enkele aandachtspunten

• Neem steeds de juiste werkhouding aan

• Steek nooit je handen in afvalbakken, prullenmanden of containers

• Draag goedzittende vaste schoenen met antislipzool

• Klim nooit op tafels, stoelen of krukken, maar gebruik een geschikte ladder of trapladder voorzien van een veiligheidslabel

• Draag je werkkledij volgens de correcte manier: gesloten

• Gebruik steeds de ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen (handschoenen, schoeisel,…)

• Meld gevaarlijke situaties aan de sector- of gebouwverantwoordelijke

• Natte vloer: loop niet over pas gedweilde vloeren, laat voldoende opdrogen – gebruik het signalisatiebord

 

Schoonmaakmiddelen reinigen na gebruik

Het is belangrijk dat je de schoonmaakmaterialen dagelijks en/of na je werkzaamheden op de juiste

wijze reinigt, droogt en opruimt en indien nodig vervangt. Zo kan je erger voorkomen.

 

• Stofdoeken: een stofbindende doek is voor eenmalig gebruik. Vochtige doeken na gebruik wassen op minimaal 60°C.

• Stofzuiger: papierzak tijdig verwisselen. Stoffilter regelmatig verwisselen. Stofzuigermond na elk gebruik ontdoen van aangekleefd vuil.

• Stofwisser: na gebruik reinigen. Wisdoekje na gebruik wegwerpen. Stofwisser na gebruik ophangen.

• Dweilen/moppen: na gebruik weggooien en anders minimaal dagelijks op 60°C wassen en droog opbergen.

• Emmers: na gebruik goed schoonspoelen met heet water en daarna goed drogen. Als je een emmer goed droogt, hebben gramnegatieve bacteriën geen kans om te groeien en kunnen ze zich ook niet verspreiden.

• Kunststofborstels: na gebruik grondig met heet water uitspoelen, uitslaan en ophangen.

• Bezems, trekkers e.d.: van aanhangend vuil ontdoen. Hang het materiaal op zodanig dat eventueel vocht eruit kan druppelen en de bezemharen niet uit elkaar gaan staan.

• Materiaalwagen: wekelijks huishoudelijk reinigen.

• Sopdoeken: na gebruik wegwerpen of wassen op 60°C. Laat nooit natte sopdoeken in emmers staan want dat is een broeihaard voor bacteriën.

• Sponzen: niet gebruiken.

• Toiletborstel: na gebruik goed naspoelen en regelmatig vernieuwen.

 

Berg de schoonmaakmiddelen op in een aparte werkkast met uitstortgootsteen. De werkkast minimaal

eenmaal per maand huishoudelijk reinigen.

 

 

 

 

 

 

Werken met gevaarlijk gereedschap

 

Snijden

Foliesnijder

Een foliesnijder gebruik je om plastieken verpakkingsfolie of strapbanden te verwijderen. Schuin snijden vermindert de weerstand. Houd een hand boven het mes, dan springt de strap je niet in het gezicht.

 

 

 

Breekmes

Er zijn aangepaste modellen voor links-/rechtshandigen). Bij een veiligheidsmes springt het lemmet automatisch terug in de houder van zodra je ophoudt met snijden en je duim loslaat.

Bij het opensnijden van een kartonnen doos verifieer je het best of het mes niet bot is. Zet de doos zo mogelijk op heuphoogte. Houd met de linkerhand de doos vast, snij van je vrije hand en van je lichaam weg. Voorkom bruuske en plotse bewegingen tijdens het snijden. Snijd dikke materialen door meermaals over de insnijding te gaan en telkens dieper te snijden.

Mesjes verwisselen: verwijder zorgvuldig het oude mesje, neem het vast aan de niet-scherpe zijde en gooi het in een aparte container (snijgevaar). Steek nooit een open mes in je zakken.

 

 

 

 

 

 

 

Lassen

Vòòr de laswerken

• zorg dat de flessen stevig met een veiligheidsketting aan de muur vastzitten ofwel op een speciaal daarvoor voorzien wagentje staan dat eveneens vastgemaakt is met een ketting;

• controleer voor je aan het werk gaat of de brander, gasdarmen en terugslagklep in goede staat zijn;

• leg acetyleenflessen nooit horizontaal neer, verplaats gasflessen nooit al rollend;

• verwijder olie, vet enz. van het lasoppervlak (brandgevaar);

• verwijder alle brandbare materialen van de lasplaats en zorg voor goede ventilatie;

• zorg voor plaatselijke afzuiging van lasrookgassen;

• zorg ervoor dat er een brandblusapparaat, branddeken en EHBO-set in de buurt is;

• voor laswerken op een werf, buiten de laswerkplaats of bij lasherstellingen in andere bedrijven moet je een vuurvergunning hebben. Die kun je aan de schooldirectie vragen.

 

Tijdens de laswerken

• draag een lasbril of lasmasker voorzien van aangepast filterglas: hoe hoger de intensiteit van de lasvlam, hoe hoger het filternummer;

• draag brandwerende kleding (bv. Proban) en splitlederen lasschorten, beenkappen, lashandschoenen, eventueel een lasmouw; vergeet ook niet je hals en nek te beschermen;

• richt de vlam nooit op gasflessen, gasleidingen of brandbare materialen;

• draag gepaste adembescherming.

 

Gasflessen opslaan

• zorg dat de opslagruimte goed verlucht is;

• sla acetyleenflessen en zuurstofflessen gescheiden van elkaar op;

• sla lege en volle flessen gescheiden van elkaar op;

• voorkom directe inwerking van weerinvloeden (geen zon!);

• sla zuurstofflessen nooit in kelders of ondergrondse ruimten op;

• veranker elke opgeslagen gasfles (zowel leeg als vol) zodat die niet omvalt.

 

Volg nauwgezet de voorgeschreven procedures en laat steeds een werkvergunning invullen.

Hakselen

Een hakselaar is eigenlijk alleen maar geschikt voor natuurlijk snoeiafval. Plastieken voorwerpen, kranten, tijdschriften e.d. horen er dus niet in thuis. Fruitafval en afval uit de keuken gooi je er ook beter niet in. En probeer er zeker geen afgedankt meubilair mee te versnipperen. Takken van struiken, jonge bomen en heggen mogen wel in de hakselaar. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing voor de maximale dikte, want die verschilt per machine.

• Draag een veiligheidsbril en veiligheidshandsschoenen.

• Kies een vlak stuk grond uit waar je tijdens het werken de

hakselaar kunt plaatsen. Met een hakselaar op benzine ben

je mobieler, maar de meeste hakselaars zijn elektrisch aangedreven.

Gebruik een onbeschadigde verlengkabel met

een CE-markering die voldoende vermogen aankan (minstens

2,5mm2).

• Lees de gebruiksaanwijzing zodat je weet wat je moet doen

als de machine blokkeert.

• Verzamel het snoeiafval op een hoopje in de buurt van de

hakselaar. Zet de hakselaar aan. Stop de takken rustig in de

voorziene opening bovenaan de hakselaar, met het dikste

uiteinde eerst. Het mechanisme van de hakselaar trekt het

afval zelf naar binnen. Probeer het proces niet te versnellen,

anders belast je de machine.

• Maak gebruik van de veiligheidsinstructiekaart (VIK) en de

bijbehorende werkpostfiche (WPF).

Zagen

Voor menig tuinliefhebber is een kettingzaag als een geschenk uit de hemel. Wie herinnert zich nog de liters zweet bij het met een boomzaag afzagen van een uit de kluiten gewassen tak? Toch is de nodige voorzichtigheid geboden, of je nu met een elektrische of een benzinekettingzaag in de weer bent. Ga steeds voorzichtig tewerk en respecteer de meest elementaire veiligheidsregels. Wij zetten ze nog even op een rijtje.

Aangepaste kledij dragen

• Draag steeds beschermende kledij als je met een kettingzaag

werkt. Draag dan oor- en gelaatsbeschermers en een

helm. Deze beschermstukken zijn uiteraard allemaal apart

verkrijgbaar, maar je kunt net zo goed een helm kopen met

geïntegreerde oor- en gelaatsbescherming. Ideaal dus, voor

wie met een kettingzaag werkt. Een gelaatscherm is onontbeerlijk.

• Vergeet ook geen veiligheidsschoenen en -handschoenen

te dragen.

Voorzorgsmaatregelen nemen

• Lees vooraf aandachtig de handleiding bij de kettingzaag.

Werk met een kettingzaag nooit alleen en op een afgezonderde

plek. Controleer regelmatig de kettingspanning door de ketting ietwat omhoog te trekken (als de machine uitgeschakeld is, natuurlijk). Is de ketting te slap aangespannen, dan span je ze terug strak met de kettingspanner. Een volledig uitgerekte ketting vervang je het best onmiddellijk.

• Gebruik een veilige machine met een kettingrem, een kettingvanger en een startvergrendeling.

 

Zagen

• Houd de kettingzaag met beide handen op heuphoogte vast en zorg voor voldoende afstand tussen de zaag en je lichaam. Houd tijdens het zagen mensen en dieren op een veilige afstand.

• Werk met een kettingzaag nooit in de hoogte, maar altijd vanaf een vlakke ondergrond. Wil je toch hoog in de kruin van een boom kunnen werken, gebruik dan een hoogsnoeier. Een elektrische kettingzaag gebruik je het best niet als het buiten regent.

• Gebruik je een zaagbok, zorg dan dat het af te zagen stuk voorbij de bok uitsteekt en vrij op de grond kan vallen. Zo voorkom je dat het zwaard (het gedeelte waarmee je zaagt) van je kettingzaag wordt vastgeklemd.

• Een zware tak zaag je niet in één keer af. Maak eerst op 20

tot 30 cm van de stam een zaagsnede onderaan in de tak.

Zaag dan via de bovenkant de rest van de tak door. Zaag ten slotte de rest van de tak af. Zaag altijd op volle kracht, om het risico op een terugslag te beperken. Probeer nooit verschillende takken tegelijk af te zagen. Maak eerst een zaagsnede en breng de kettingzaag daarna voorzichtig in die snede. Zorg ervoor dat de zaagsnede nooit dichtgedrukt kan worden, hiervoor kun je een spie gebruiken. Maak ook gebruik van de veiligheidsinstructies.

Snoeien

Snoeien is op zich geen gevaarlijke bezigheid. Onverwachte gevaarlijke momenten zijn echter niet van tevoren in te schatten. Neem daarom de volgende veiligheidsmaatregelen in acht:

• draag werkhandschoenen tijdens het snoeien, om je handen niet te verwonden - goede werkhandschoenen houden zelfs rozendoornen tegen;

• bedek je huid zoveel mogelijk: sommige planten stoten stoffen af die jeuk en irritatie kunnen veroorzaken;

• bescherm ook je ogen en luchtwegen (mondkapje en veiligheidsbril);

• laat geen snoeischaar liggen als je even weg bent - het kan gevaarlijk zijn voor kinderen en huisdieren;

• maak gebruik van de veiligheidsinstructiekaart (VIK) en de bijbehorende werkpostfiche (WPF).

 

Maaien

Als je de gemotoriseerde grasmaaier niet gebruikt, schakel hem dan uit; bij elektrische modellen verwijder

je het best de stekker uit het stopcontact. Lees vooraf goed de gebruiksaanwijzing en volg de

raad van de fabrikant op. Controleer voor gebruik de grasmaaiermessen. Verwijder stenen, takken, glas,

speelgoed en andere voorwerpen die niet in de werkzone thuishoren. Maak het gazon zo egaal mogelijk

door er voorwerpen weg te nemen die rondgeslingerd kunnen worden als je eroverheen rijdt. Controleer

de voedingskabel. Is de beschermhuls versleten, vervang hem dan. Werk je met een elektrische

grasmaaier die het label “dubbel geïsoleerd” (een vierkant in een vierkant) draagt, dan mag je geen

geaard, maar wel een driepolig stopcontact gebruiken.

Veiligheidsmateriaal

• Gebruik werkhandschoenen, voor grip en bescherming.

• Draag goed sluitende kleding en (veiligheids)schoenen waarmee je stabiel op het gras staat. Draag geen slippers want die beschermen je voeten niet genoeg. Zogeheten tuinklompen zijn ook niet geschikt omdat je hiermee snel je enkel verzwikt en zo je evenwicht verliest. Instabiliteit is een bepalende factor bij ongelukken met de grasmaaier.

• Als je gebruik maakt van een elektrische grasmaaier, let dan goed op of het gazon nog vochtig is. Zelfs in de zomer of bij zonnig weer doe je er goed aan eerst de ochtenddauw te laten verdampen. Vooral oudere modellen elektrische grasmaaiers zijn hier minder goed tegen bestand. Kortsluiting is hiervan dikwijls een gevolg. Maak met de grasmaaier eerst een testrit voordat je daadwerkelijk de motor start. Zo raak je vertrouwd met de eigenschappen van de grasmaaier, zoals de rotatiesnelheid.

• Beschermende kleding is essentieel bij het grasmaaien.

• Maak ook gebruik van de veiligheidsinstructiekaart (VIK)

en de bijbehorende werkpostfiche (WPF).

Veiligheidsmaatregelen

Houd altijd je vingers uit de buurt van bewegende onderdelen. Verwijder veiligheidskappen en doe alle onderhoud enkel als de stekker uit het stopcontact is (elektrische maaiers) of als de bougiekabel ontkoppeld is (benzinemaaiers). Ingrijpende onderhoudswerkzaamheden, zoals het vervangen van de messen of reparaties aan het motorblok laat je het best door een professional uitvoeren. Gebruik je een elektrische grasmaaier met snoer, maai het gazon dan systematisch, zonder dat je over het snoer heen maait. Ideaal is dat het snoer zich altijd achter jou bevindt en dat je met voorwaartse bewegingen

maait. Zorg dat je alleen bent als je met de grasmaaier werkt. Wees extra voorzichtig als je achteruit rijdt. Let goed op hobbels, kuilen en ander verborgen gevaar. Rijd niet achteruit als je beperkte bewegingsruimte hebt, bijvoorbeeld langs struiken of een heg. Minder snelheid als je van richting verandert. Dan is de grasmaaier beter beheersbaar.

Voor een optimale stabiliteit moeten alle wielen de grond raken. Als de grasmaaier kantelt, kunnen deeltjes uit de onderzijde wegvliegen. Als je stopt met de maaier te gebruiken, schakel hem dan altijd uit. Zelfs voor een kort moment. Laat gras of ander vuil zich niet ophopen op de top van je grasmachine. Als de maaier te warm wordt en het gras droog is, kan het snel in brand vliegen. Blijf tijdens het grasmaaien steeds alert voor oneffenheden en wegspringende steentjes. Draag voor alle zekerheid een beschermende gezichtskap.

Sigaretten en brandende voorwerpen moeten ver uit de buurt van de elektrische en benzinegrasmaaier blijven. Benzine vul je bij als de motor afgekoeld is. Gebruik een veiligheidsvulkan om lekken en brandgevaar te voorkomen. Wees je bewust van de gevaren die de brandstof met zich meebrengt. Bij zware arbeid is het verstandig om voor een grasmaaier met verstelbare duwboom te kiezen. Een juiste houding voorkomt rugklachten.

Maak ook gebruik van de veiligheidsinstructiekaart (VIK) en de bijbehorende werkpostfiche (WPF).

 

 

Zeer uitzonderlijke situaties

 

Afgezonderd tewerkgestelde werknemers

Elke afgezonderd tewerkgestelde werknemer beschikt over aan de omstandigheden aangepaste alarmmiddelen.

Daarmee kan hij zijn aanwezigheid manifesteren of hulp vragen, zoals telefoon, gsm, radiotelefoon, draagbare zender-ontvanger, claxon, bel, fluit,…. Voor onderhoudspersoneel met avondtaak bijvoorbeeld is een gsm het minimum.

Geen enkel werk dat in gevaarlijke omstandigheden moet worden uitgevoerd mag worden toevertrouwd aan een afgezonderd werknemer. Er moet altijd een andere persoon aanwezig zijn die snel alarm kan slaan en hulp kan bieden. Onder gevaarlijke omstandigheden verstaat men iedere situatie waar men verhoogd risico loopt op vallen, bezwijming, brand, elektrocutie, intoxicatie, verstikking en zware ongevallen omdat collectieve beveiligingen ontbreken of onbereikbaar geplaatst zijn.

 

Besloten ruimte - Kruipruimte

Herstellingswerken in een technische kruipruimte kunnen gevaarlijke omstandigheden meebrengen,

met de volgende risicofactoren: brand, ontploffing, verstikking, vergiftiging, elektrocutie, ontruimingsmoeilijkheden,

verhoogd risico op kneuzingen, schaafwonden, o ogkwetsuren, verstuikingen, grotere vermoeidheid door een bijzonder moeizame werkhouding. Volg daarom nauwgezet de procedure “Werken in besloten ruimte” op www.g-o.be/preventie en laat steeds een werkvergunning invullen. Het is ook aangeraden om de werkruimte vooraf te inspecteren (bereikbaarheid, afmetingen van de toegangen, ventilatie, zuurstofgehalte enz.). Het moet ook altijd mogelijk zijn om in geval van nood

een getroffen werknemer zo vlug mogelijk te evacueren. Daarom moet er steeds een bevoegd persoon opgesteld staan buiten de ruimte maar dicht bij de toegang. Deze persoon houdt toezicht op en blijft in contact met de werknemer in de technische kruipruimte, controleert of een eventueel opgestelde ventilatie- en detectieapparatuur goed werkt en waarschuwt wanneer de werknemer de ruimte moet verlaten. De toezichter moet in noodsituaties de gepaste maatregelen kunnen nemen. Er moeten voldoende personen in de buurt zijn die hij kan oproepen om samen hulp te bieden aan het slachtoffer.

Werknemer en toezichter moeten afspreken welke waarschuwingssignalen bij onheil

Werken op hoogte

 

Vooraleer men werkzaamheden op hoogte uitvoert, is een risicoanalyse nodig om de vereiste preventiemaatregelen te bepalen. In eerste instantie moet men bekijken of men het risico niet kan uitschakelen (kan men de werkzaamheden eventueel uitvoeren op grondniveau). Kan men het werken op hoogte niet vermijden, dan geeft men het best voorrang aan vaste collectieve bescherming (bv.: loopvlak met leuning). Is dit geen optie, dan moet men een geschikt arbeidsmiddel kiezen. Men doet er goed aan om het gebruik van ladders zoveel mogelijk te beperken. Gebruik ze enkel als andere middelen (steiger,

hoogtewerker e.d.) om technische, economische en/of operationele redenen niet kunnen. Kiest men toch voor een ladder, beoordeel die dan op veiligheid. In combinatie met een arbeidsmiddel kun je eventueel ook persoonlijke beschermingsmiddelen gebruiken. De arbeidsmiddelen en de persoonlijke beschermingsmiddelen moeten steeds conform de

vigerende normen zijn (ladder: NBN EN 131 + VGS-label, valbeveiligingsharnas: NBN EN 361).

Aangezien elke situatie specifiek is, is het belangrijk om de werkplek te evalueren aan de hand van de voorgeschreven procedure en de instructies in de werkvergunning op te volgen.

Ladder

• Zet een ladder altijd onder een hoek van 75°. Het stavlak van de sporten moet dan horizontaal zijn. Plaats een ladder steeds op een stabiele ondergrond. Vanaf het moment dat een ladder 25 sporten telt, moet die onderaan en bovenaan worden gefixeerd.

• Het boveneinde van de ladder moet met beide bomen steunen. Gebruik anders een muurafstandshouder.

• Zet de ladder nooit voor een deur; kun je niet anders, sluit

dan de deur af.

Draag zorg voor de goede staat van de laddervoet, bv. antislip.

• Gebruik alleen degelijk materiaal (VGS-label) en inspecteer

de ladder voor je hem gebruikt. Houten ladders mogen niet

geverfd of gevernist zijn, bescherm ze wel tegen uitdroging

en rotten. Voorkom dat de ladder inklapt. Controleer

voordat je een trapladder beklimt of het bordes volledig is

uitgeklapt en geborgd. Controleer bij een trapladder ook

eerst of de uitspreidingssystemen in orde zijn en veilig gepositioneerd.

Controleer telkens ook de scharnierpunten.

• Houd een (trap)ladder schoon en vrij beklimbaar. Verwijder

vuil, vet e.d. Plaats geen gereedschappen onder de ladder.

• Maak gebruik van rolwagens om gereedschap mee te nemen.

Reik nooit verder dan een armlengte. Anders breng je jezelf

uit evenwicht en is een val niet uit te sluiten. Bedenk ook

dat een (trap)ladder daarbij uit balans komt en samen met

jou omver kan vallen. Verplaats de ladder liever wat vaker.

• Houd twee handen vrij om de ladder te beklimmen. Pas altijd

de driesteunpuntenregel toe (twee handen, één voet of

twee voeten, één hand).

• Sta niet op de beugel (bovenste sport) van een ladder. De

maximale stahoogte is het bordes. De beugel dient als

knie- of handsteun. Laat de ladder voldoende uitsteken boven

het te bereiken niveau, en zet hem dan boven vast.

• Ga niet met meer dan één persoon op een ladder staan (max. 150 kg). Het kan niet alleen een zware belasting zijn voor de ladder, het is ook gevaarlijk.

• Gebruik opsteekladders met een schuivend deel aan de voorkant. Zorg voor een overlap van minimaal vijf treden.

Gebruik beide handen bij het beklimmen en afdalen en stap met het gezicht naar de ladder gekeerd.

• Gebruik nooit metalen ladders in de buurt van elektrische leidingen. Kijk uit voor stroomdraden!

• Plaats aluminium ladders en trappen minstens 2 m van niet-geïsoleerde elektrische delen die onder spanning staan. Gebruik een ladder niet als stelling. Maak geen oneigenlijk gebruik van ladders.

• Sta niet op de steunbomen van een trapladder. Een trap of ladder is maar aan één kant te beklimmen. Moet je lang op

eenzelfde plaats blijven staan, gebruik dan een ladderbordes.

• Voor werkzaamheden op een stahoogte van meer dan 7,5 m mag je geen ladders gebruiken.

• Per dag mag je niet meer dan twee uur op een ladder werken.

Op ladders met een gering valrisico mag je maximum vier uur werken. Als je aanzienlijke duw- of trekkrachten moet uitoefenen (bv. bij het gebruik van aangedreven handgereedschappen), mag je geen ladder gebruiken. Bij windsnelheden van meer dan 6 beaufort moet je het werk op ladders stopzetten.

Steiger/stelling

Werken uitvoeren op een stelling – conform de veiligheidsnormen – wordt niet beschouwd als werken in gevaarlijke omstandigheden. Bijgevolg hoeft er geen andere persoon aanwezig te zijn. Wel moet je in dat geval over een aangepast alarmmiddel (gsm, draagbare zender, claxon, bel, fluit,…) beschikken.

Volg ook dan nauwgezet de voorgeschreven procedures en vul een werkvergunning in.

 

Dakwerken

Bij dakwerken bestaat er gevaar voor talrijke en ernstige ongevallen: er kunnen personen vallen (uitglijden, in de diepte vallen), er kan materieel en materiaal vallen. Voorkom deze risico’s door voldoende en degelijk opgevatte preventiemaatregelen te nemen.

 

Als je werken uitvoert op minder dan twee meter van de dakrand, beveilig je dan tegen een val. Plaats tijdelijke balustrades (collectieve bescherming) of draag een veilgheidsharnas en een levenslijn met een verankeringspunt.

 

Werken op een hellend dak, zelfs voor kleine onderhouds- en/of herstellingswerken, moet beschouwd worden als werken in gevaarlijke omstandigheden. Beveilig je ook dan tegen een val.

Er moet dus ook een andere persoon aanwezig zijn, die in staat is snel alarm te geven. Deze persoon hoeft geen werknemer te zijn en geen speciale kwalificatie te hebben, maar moet over voldoende fysieke en mentale capaciteiten beschikken om alarm te kunnen geven en moet een doeltreffend alarmmiddel bij zich hebben (gsm, telefoon enz.).

Volg nauwgezet de voorgeschreven procedures en laat steeds een werkvergunning invullen.

 

 

 

 

 

Bibliografie

• 10 tips voor minder stress op het werk (www.stepstone.be)

• BDB. Informatiedossier: Veiligheid op en rond de school (www.vlaamsparlement.be)

• C. Heyrman. NAVB. Praktijkgids arbeidsveiligheid, veiligheidsnota’s bouwbedrijf (www.constructiv.be)

• D. Hauwaert. De 10 grootste oorzaken voor stress op het werk (www.1001tips.be)

• Edulex. Veiligheid, gezondheid en milieuzorg in de onderwijsinstellingen (www.ond .vlaanderen.be)

• E. Spaens. Handleiding contractueel personeel, moederschapsbescherming (www.g-o.be )

• E. Spaens. Handleiding contractueel personeel, Geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk (www.g-o.be)

• E. Spaens. Handleiding contractueel personeel, rookverbod (www.g-o.be)

• E. Spaens. GO! handleiding voor busbegeleid(st)ers niet-zonaal leerlingenvervoer (www.g-o.be)

• E. Spaens. GO! handleiding voor professionele buschauffeurs (www.g-o.be)

• E. Spaens. GO! handleiding voor professionele schoonmaak (www.g-o.be)

• Europees Agentschap voor Veiligheid en gezondheid op het werk (www.agency.osha)

• Federale overheidsdienst werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. ARAB –Algemeen

• Federale overheidsdienst werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Hulpfiches “Observatie” (www.sobane.be)

• Federale overheidsdienst werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. De overleggids: Infrastructuur onderwijsinstelling (www.sobane.be)

• Federale overheidsdienst werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Biologische agentie en gezondheid op de werkvloer (www.werk.belgie.be )

• Federale overheidsdienst werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Belgische welzijnswet (www.werk.belgie.be)

• F. Verbrugghe. Eerste stappen in veiligheid. KTA Liedekerke

• G. De Backer. Preventie en brandveiligheid (www.vub.ac.be )

• GO! onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap. Alcohol & Drugsbeleidsverklaring (www.g-o.be)

• G. Linten. Gemeenschappelijke preventiedienst GO! (www.g-o.be)

• H. De Lange, R. De Guyter, L. Van Hamme, C. Boon. Zakboekje van de preventieadviseur (www.kluwer.be)

• HDP&Arista. Veiligheid op het werk (www.hdp.be)

• Investeren in mens en werk (www.prevent.be)

• Model van brandbestrijdings- en ontruimingsplan voor scholen (www.brandveilig.be)

• Reglement voor de Arbeidsbescherming (www.werk.belgie.be)

• Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV). Welzijn op het werk (www.vlaanderen.be)

• Uniweb. Belgische brandwondenstichting, pictogrammen (www.brandwonden.be )

• Veiligheid en hygiëne op de werkvloer (www.hogent.be)

• Welzijn op school, EHBO-instructies (www.coprant.be)

Het Technisch Team staat steeds voor u klaar.